ICT

Digitale huisarts bereikt maar kleine groep patiënten

Door de coronacrisis is het gebruik van e-health enorm toegenomen, ook in de huisartsenzorg. Veel huisartsenpraktijken hebben er ervaring mee opgedaan. Uit onderzoek blijkt dat ze hiermee maar een beperkte groep patiënten bereiken.

Door Lilian van Tuyl, Programmaleider Organisatie en Kwaliteit van Zorg Nivel. Dit artikel maakt deel uit van de KiZ special over de waarde van zorg op afstand na de coronacrisis die binnenkort op Qruxx verschijnt.

Waar zijn zorgverleners, patiënten en organisaties tegenaan gelopen in deze ‘snelkookpan van e-zorg’? En hoe, door wie en wanneer zijn verbeteringen aan te brengen zodat de zorg een blijvend rendement haalt uit het coronajaar 2020?

Sinds 2013 monitort het Nivel met verschillende samenwerkingspartners het aanbod en gebruik van e-health in de zorg met de E-healthmonitor en ook in 2020 zijn diverse peilingen gedaan. Wat kunnen we daaruit opmaken?

Alternatieven voor fysiek consult

Waar de E-healthmonitor over de jaren 2013 t/m 2019 een langzame en voorzichtige acceptatie van technologie in de zorgverlening detecteerde, zien we dat de inzet van technologie in de zorg in 2020 sterk toenam.

Huisartsenpraktijken hebben op grote schaal geëxperimenteerd met alternatieven voor het fysieke consult, zoals het e-consult en het videoconsult. Toch blijkt uit de recent gepubliceerde factsheet ‘Stand van zaken e-health in 2020’ van het RIVM dat we nog maar weinig weten van de impact die de coronacrisis op de rol van e-health in de zorg tot dusverre heeft gehad.

Tussen maart en september 2020 heeft het Nivel grootschalig onderzoek gedaan naar het gebruik van e-health in de huisartsenpraktijk. Het onderzoek bestond uit een herhaalde enquête die naar alle Nederlandse huisartsenpraktijken werd gestuurd, interviews onder dertig huisartsen en het bevragen van de algemene bevolking en mensen met een chronische ziekte door middel van een op maat gemaakte enquête.

Massaal beeldbellen

Uit rapportages van het e-health onderzoek blijkt dat huisartsenpraktijken aan het begin van de coronacrisis, in maart en april 2020, massaal het beeldbellen met patiënten zijn gaan uitproberen. Van de onderzochte 1.083 huisartsenpraktijken die nieuwe e-health-toepassingen gingen gebruiken of bestaande toepassingen intensiever gingen inzetten, is 64 procent voor het eerst gaan beeldbellen en 8 procent is het beeldbellen intensiever gaan inzetten dan voor de crisis.

Voor andere vormen van e-communicatie waren de gebruikerspercentages minder spectaculair, maar alsnog opzienbarend: 12 procent van de praktijken is het e-consult (met de patiënt) voor het eerst gaan gebruiken, en nog eens 73 procent is het intensiever gaan inzetten. En voor teleconsultatie (intercollegiaal contact) geldt dat 8 procent het voor het eerst is gaan toepassen en nog eens 52 procent dit intensiever is gaan gebruiken.

Stevige positie digitale huisarts

Uit de herhaalde enquête in juli-augustus 2020, toen de eerste coronagolf achter de rug was, blijkt dat het initiële enthousiasme bij huisartsenpraktijken voor specifieke toepassingen was getemperd. Toch had  de ‘digitale huisarts’  een stevige positie ingenomen. Van de huisartsenpraktijken gaf 52 procent aan beeldbellen toe te passen.

Vrijwel alle praktijken gaven aan ‘een vorm van e-health’ in hun praktijk te gebruiken. Twee derde van de praktijken bleek zelfs drie of meer toepassingen te gebruiken van de in de enquête genoemde range (e-consult, het beeldbelconsult, de teleconsultatie, telemonitoring, en het online recepten aanvragen).

Verbetermogelijkheden huisartsen 

In interviews gaven huisartsen niet alleen nadere duiding aan al deze cijfers over e-healthgebruik, ook gaven ze een aantal verbetermogelijkheden.

Bij veel praktijken is behoefte aan betere integratie van e-toepassingen in het bestaande zorglandschap. Als voorbeeld noemen huisartsen het (beter) koppelen van de output van e-consulten aan het medische patiëntendossier. Dit zou veel foutgevoelig overtypwerk kunnen voorkomen.

Ook het integreren van de verschillende communicatie- en monitoringsapplicaties in één systeem, gekoppeld aan het HuisartsInformatieSysteem, zou veel winst opleveren. Dergelijke efficiëntieverbeteringen ondersteunen de huisarts, doktersassistent en andere medewerkers van de huisartsenpraktijk in het primaire proces, maar moeten door veel praktijken nog worden gemaakt. Het is de verwachting dat deze voorwaardelijk zullen zijn voor het blijvend gebruik en de kosteneffectiviteit van e-health in de huisartsenpraktijk.

De gebruiksvriendelijkheid van e-health-toepassingen en de digitale vaardigheden van gebruikers blijken daarnaast belangrijke succesfactoren van e-health. Dit geldt zowel voor het gebruik door de huisarts en praktijkassistent(e), als voor het gebruik door de patiënt.

Huisartsenpraktijken noemen de regels ter bescherming van privacy als belangrijk struikelblok voor het toepassen van e-health. Vaak ervaren zij het gebruik van applicaties die AVG-proof zijn als erg omslachtig, waardoor zij afhaken. Tot slot zien huisartsen goede technische en financiële ondersteuning/vergoedingen als belangrijke voorwaarden voor het effectief werken met e-health-toepassingen.

Wat vindt de patiënt?

De zorgverleners vormen slechts één kant van de medaille. Aan de hand van twee verschillende peilingen in mei 2020 hebben we ook gekeken naar de ervaringen met e-health van mensen uit de algemene bevolking en van mensen met een chronische ziekte.

Uit beide peilingen blijkt dat er – anders dan bij huisartsen – maar weinig ervaring met e-health is opgedaan. Het contact tussen huisarts en patiënt verloopt met name telefonisch. Slechts een minderheid maakt gebruik van één van de digitale contactmogelijkheden die de zorgverlener biedt. Het lijkt er dus op dat vanuit de huisartsenpraktijk met slechts een beperkt aantal patiënten contact middels e-health heeft plaatsgevonden.

Bovendien blijkt er een opvallende discrepantie te zijn tussen de perceptie van e-health van de algemene bevolking en die van de (kleine) groep Nederlanders die daadwerkelijk een e-health-toepassing heeft gebruikt. De groep gebruikers blijkt de inzet van ‘zorg op afstand’ prettig te vinden en geeft aan dat hun zorgvraag voldoende is beantwoord. De algemene bevolking is daarentegen sinds 2019 juist minder positief gaan denken over de bijdrage van digitale toepassingen aan de kwaliteit van zorg en de eigen gezondheid.

Aanvullend onderzoek nodig

Om deze discrepantie tussen de algemene bevolking en de e-healthgebruikende Nederlander te doorgronden, is aanvullend kwalitatief onderzoek nodig. Mogelijk speelt de ervaring die de mensen hebben opgedaan met digitaal communiceren in de sociale of zakelijke context tijdens de crisis een rol.

Vast staat dat het draagvlak voor het gebruik van e-health-toepassingen door de Nederlandse bevolking onder invloed van de coronacrisis maar langzaam is gegroeid. Meer aandacht voor de mogelijkheden en behoeften van kwetsbare groepen zoals mensen met een chronische ziekte is nodig om het potentieel van e-health in de toekomst beter te benutten.

Voorwaarden succesvolle digitale transitie

Onderzoek van het Nivel van vóór de corona-pandemie wijst uit dat huisartsen drie belangrijke voorwaarden zien voor succesvolle implementatie van een e-health-toepassing: ten eerste een visie met betrekking tot het inzetten van e-health in de eigen praktijk. Ten tweede een gevoel van urgentie om een bepaald probleem op te lossen met behulp van e-health. En ten derde de aanwezigheid van draagvlak onder collega’s. De corona-pandemie heeft veel gebracht ten aanzien van de laatste twee voorwaarden, maar voor visievorming was voor veel praktijken afgelopen jaar gewoonweg geen tijd.

E-healthmonitor 2.0

Het ministerie van VWS – geïnformeerd en geadviseerd door de Raad van Volksgezondheid en Samenleving, het Zorginstituut Nederland en de Nederlandse Zorgautoriteit – zet de komende tijd vol in op het structureel inbedden van digitale ondersteuning in reguliere zorgprocessen, om zo de zorg organiseerbaar en betaalbaar te houden.

De komende jaren zullen moeten uitwijzen in hoeverre dit verder gestalte krijgt. Om dit te kunnen monitoren zijn het Nivel, het RIVM en het National eHealth Living Lab (NeLL) per 1 oktober 2020, op verzoek van het ministerie van VWS, samen van start gegaan met de voorbereidingen van een nieuwe E-healthmonitor, die de jaren 2021-2023 zal monitoren.

Deze ‘E-healthmonitor 2.0’ zal, net als de vorige, bestaan uit kwantitatieve metingen om de omvang van de digitale zorg in cijfers weer te geven. Vernieuwend is dat deze metingen worden aangevuld met kwalitatief onderzoek met betrekking tot de vragen die de kwantitatieve metingen opwerpen.

Uit de resultaten van de E-healthmonitor 2.0 zal blijken in hoeverre de coronacrisis een blijvende verandering heeft veroorzaakt in de digitalisering van de zorg.

 

Reacties