Het meten van cliëntervaringen in de gehandicaptenzorg

De gehandicaptenzorg werkt met een zorgvuldig opgezet en voorbereid kwaliteitskader. Het richt zich op wat de cliënt nodig heeft om zo volwaardig mogelijk te leven.

Door Peter van Splunteren, redactie KIZ

Dit artikel maakt deel uit van het themanummer over patiëntperspectief van KIZ. Naar de overzichtspagina

Kwaliteit leveren betekent volgens het Kwaliteitskader Gehandicaptenzorg vooral leren en verbeteren. Belangrijk onderdeel is het meten van cliëntervaringen,  die de zorgverlener vervolgens gebruikt bij het persoonlijk ondersteuningsplan.

Het is voor alles gericht op verbetering van de kwaliteit van bestaan en de eigen regie van de cliënt. Autonomie, zelfredzaamheid en individueel maatwerk zijn leidende begrippen in de zorgverlening. Deze begrippen vormen het referentiekader voor de vier bouwstenen van het kwaliteitskader: het zorgproces rond de individuele cliënt, het onderzoek naar cliëntervaringen, de teamreflectie en het kwaliteitsrapport en visitatie

De instrumentenwaaier

Voor de tweede bouwsteen, het onderzoek naar cliëntervaringen,  is een waaier aan instrumenten ontwikkeld. Instellingen kunnen daaruit kiezen welke vragenlijsten ze willen gebruiken voor hun onderzoek naar cliëntenervaringen. De kwaliteit wordt bewaakt en beoordeeld door onafhankelijke experts.  Professor Petri Embregts heeft vanaf het begin zitting in de expertgroep, professoren Mirella Minkman en Kees Ahaus hebben het stokje van Henk Nies en Pauline Meurs overgenomen.

Het advies van de commissie is bindend voor het gebruik van de instrumenten door de instelling. De commissie beoordeelt elk instrument op acht criteria,

  1. Het instrument moet cliëntinformatie op individueel niveau leveren
  2. De systematiek moet zijn ingebed in de zorgplancyclus
  3. Het instrument moet zicht geven op ervaringen en concrete verbeterwensen van de individuele cliënt
  4. De gegevens moeten kunnen worden geaggregeerd naar verschillende niveaus (team, locatie, organisatie)
  5. Er moeten waarborgen zijn voor continuïteit van de ontwikkeling door de instrumentontwikkelaar wat betreft voortbestaan en doorontwikkeling.
  6. Er moet zijn geëxpliciteerd onder welke omstandigheden een instrument zinvol is, en onder welke voorwaarden het tot zijn recht komt
  7. Er moet beschreven zijn hoe bij potentiële gebruikers toetsing plaatsvindt op de aanwezigheid van voorwaarden voor adequaat gebruik van het instrument.
  8. Het instrument moet betrouwbare metingen opleveren en valide zijn.

Er zijn drie uitkomstcategorieën van de beoordeling. Categorie 1: het instrument wordt toegelaten tot de instrumentenwaaier; Categorie 2: het instrument wordt toegelaten tot de waaier maar met een of meerdere ontwikkelopgaven; Categorie 3: het instrument wordt niet toegelaten tot de waaier.

Op dit moment zijn acht instrumenten in categorie 1 toegelaten tot de waaier en een instrument in categorie 2. Voor de specifieke groep met Ernstige Meervoudige Beperkingen (EMB) staat één instrument in categorie 1 en ook één in categorie 2. Er zijn in het verleden verschillende instrumenten door de commissie afgewezen.

Meer over de beoordelingscriteria en de beoordelingsprocedure

De elf opgenomen instrumenten zijn methodologisch verschillend. Sommige hebben meer het karakter van een survey, andere hebben meer een kwalitatieve benadering in het gesprek met de cliënt over zijn of haar ervaringen. Bij elk nieuw instrument kijkt de commissie nauwkeurig of er meerwaarde is ten opzichte van de toegelaten instrumenten. Want de instelling moet kunnen kiezen maar wel uit een overzichtelijke lijst.

Onvrede

De keuze voor de waaier aan instrumenten is gemaakt uit onvrede over de CQ–index. Die werd op een gegeven moment in vele sectoren van de zorg ingevoerd, maar stuitte in de gehandicaptenzorg op veel verzet. Men kon er weinig mee.

De CQ-index verzamelt gegevens over ervaringen met de zorg op het niveau van het team en de instelling en niet op het niveau van de cliënt. De gehandicaptenzorg koos nadrukkelijk om informatie te verzamelen over het individuele zorgproces en wat daarin voor de cliënt belangrijk is, zodat die informatie ook direct gebruikt kan worden voor aanpassingen in het zorgproces voor de individuele cliënt. Dat gebeurt altijd in dialoog met de cliënt.

In de praktijk zetten instellingen hun instrument vaker in dan de verplichte één keer in de drie jaar, juist omdat de informatie nodig is in het dagelijkse proces en om optimaal gebruik te kunnen maken van ondersteuningsplannen van de cliënten. Dat is een goed teken en laat zien dat deze benadering van meten van ervaringen door de medewerker als zinnig wordt gezien.

Verschillen

De vragenlijsten hebben als gemeenschappelijke noemer de ervaring van de cliënt met de zorg en ondersteuning in brede zin, maar onderling zijn er accentverschillen tussen de vragenlijsten. Er zijn vragenlijsten met nadruk op kwaliteit van bestaan, met nadruk op de domeinen van Shalock en andere met meer nadruk op cliëntervaringen over de zorg.

De instelling kiest het instrument dat het best past bij de doelgroep, de organisatie en de medewerkers. De informatie wordt zoveel mogelijk gebruikt om direct de zorg te verbeteren. Daarnaast wordt de informatie gebruikt op teamniveau.

In principe moet elk instrument ook informatie op organisatieniveau opleveren, maar dat is bijvoorbeeld voor instrumenten die wat meer kwantitatief zijn opgesteld gemakkelijker dan instrumenten met nadruk op kwalitatieve informatie. Maar alle toegelaten instrument maken aggregatie van de gegevens op organisatieniveau mogelijk.

Voorbeeld voor andere zorgorganisaties

Professor Pauline Meurs, voorheen lid van de expertgroep, roemde de manier waarop VGN met haar partners kwaliteit in haar organisaties stimuleert, en stelt deze aanpak als voorbeeld voor andere zorgorganisaties. De aanpak is vernieuwend omdat ie van onderop is ontwikkeld met medewerkers, cliëntengroepen en instellingen.

De visie op kwaliteit is niet alleen in woorden maar juist in het handelen gericht op leren en verbeteren en niet op controleren en dwingen. Meurs: “De VGN is ‘eigenwijs’ geweest en heeft zich niet geconformeerd aan indicatoren discussies en de CQ-index. Er is een eigen weg ingeslagen en als dat zo sterk vanuit de sector ontwikkeld wordt dan kun je dat met recht een succes noemen.”

Dit artikel is geschreven in samenwerking met Kees Ahaus, Mirella Minkman en Petri Embregts

 

 

Reacties