Het patiëntenperspectief in bemoeizorg

Bemoeizorg is de algemene benaming voor een specifieke methodiek om sociaal kwetsbare mensen te signaleren en hulp te bieden. De methodiek stelt de cliënt in het middelpunt, want zonder aansluiting bij de leefwereld van de cliënt is de hulpverlening kansloos. Misschien een eyeopener voor andere ggz-sectoren?

Door Gerard Lohuis, sociaal-psychiatrisch verpleegkundige BuurtzorgT Groningen

Dit artikel maakt deel uit van het themanummer over patiëntperspectief van KIZ. Naar de overzichtspagina

Sociaal kwetsbare mensen vind je in de ggz, bij verslavingsinstellingen, maar ook daarbuiten, in voorzieningen voor maatschappelijke opvang of in woonvormen voor mensen met een verstandelijke beperking. Soms komen ze in aanraking met de politie vanwege overlast. Ze hebben problemen op meerdere leefgebieden: wonen, sociale contacten, zelfzorg en op het gebied van financiën en administratie1.

‘Je bent mens door je medemens. Je bent wat je van jezelf ziet door ogen van anderen’. Bovenstaand citaat zou afkomstig kunnen zijn uit het Afrikaanse Ubuntu, maar evenzeer uit het noaberschap van Twente waar ik als klein kind geleerd heb dat je verantwoordelijk bent voor anderen die het misschien minder goed hebben.

Vanuit deze achtergrond startte ik met een collega in Groningen in 1996 een team, dat later een bemoeizorgteam bleek te zijn. We deden aan presentie. Andries Baart gaf hier in 2001 woorden aan door het als theorie, methodiek en attitude te beschrijven. Het ging om mensen die tussen allerlei hulpverleners heen en weer werden geschoven door een grote hoeveelheid aan schotten en instellingen.

Lees ook: bemoeizorg: de term

Drempels van instellingen

Het waren vaak mensen die in kommervolle omstandigheden verkeerden en de weg naar de hulpverlening niet konden vinden. Soms lag het aan de drempels van instellingen, soms aan mensen die zich vasthielden aan hun autonomie en de samenleving de schuld van hun schamele bestaan hadden gegeven. Maar ook mensen die volkomen verstrikt waren geraakt in hun eigen gedachten, dat in de GGZ als psychose wordt omschreven. Kortom: mensen die niet veel op hebben met hulpverleners die komen helpen. En die gingen wij dus helpen, maar dan anders omdat begaanbare paden niet op hen van toepassing bleken te zijn.

Claudie is 18 en tippelt. Ze is in de war, gebruikt drugs en is door haar levensstijl in de gevarenzone terecht gekomen. Ze is in de war en gebruikt allerlei soorten drugs. Als ik haar ongevraagd tijdens haar werk op straat benader, krijg ik de volle laag. Ze scheldt me uit en is niet in staat te bedaren, totdat ik terug ga schelden. Wat meent ze wel. Ik ben oprecht verontwaardigd en druk een kaartje in haar handen met de mededeling ‘dat ze het voor mij part allemaal zelf mag uitzoeken, bitch’. Als ze hulp wil, moet ze maar naar het adres komen dat op het kaartje staat.  Ik schrik van mijn eigen reactie en heb het gevoel dat ik het nu al verknald heb. Ik bespreek het met mijn collega, die morgen opnieuw een poging gaat wagen. Zo ver komt het niet, de volgende ochtend staat ze met mijn kaartje bij de GGD en vraagt waar die k..hulpverlener van gisteren is. Het wordt de start voor een contact dat maanden zal duren.

Negatief imago

Claudie staat op zichzelf, zoals alle  mensen die ongevraagd benaderd worden vanuit de bemoeizorg. Er is altijd een reden om ze op te zoeken. Ze zijn in beeld gekomen bij een woningbouwvereniging, politie of buren, steeds met een verhaal dat men zich zorgen maakt. En steeds met de boodschap dat ze geen hulp willen. Blijkbaar heeft hulp een negatief imago, hebben ze vervelende ervaringen opgedaan met hulpverleners of zien ze zelf niet hoe beroerd ze er soms aan toe zijn.

Ruut Veenhoven heeft in zijn onderzoek naar geluk laten zien hoe belangrijk autonomie, betekenisvolle mensen en een zinvolle daginvulling voor mensen zijn. Bijna iedereen die met bemoeizorg in aanraking komt, worstelt hiermee. Mensen hebben het idee dat ze niet begrepen worden, hebben regelmatig conflicten met instellingen of mensen in hun omgeving of hebben zich geheel in afzondering teruggetrokken omdat de buitenwereld een risico voor ze vormt. Dan is het te begrijpen dat de vraag ‘wat kan ik voor je doen’ van de hulpverlener niet werkt. Sterker nog, ik zit zondagochtend ook niet te wachten op iemand die aan de deur een geloof komt brengen.

Aansluiting zoeken

Het wordt ons al snel duidelijk dat we moeite moeten doen, aansluiting moeten zoeken en vooral laten merken dat we geen probleem of diagnose komen zoeken. Waar ze uiteraard niet op zitten te wachten. Meestal lukt dat wel, maar niet altijd. Het draait om het maken van contact, waarbij de dankbaarheid opgesloten zit in het ‘nog een keer terug mogen komen’. Het is als de eerste kennismaking met iemand in een kroeg: vind ik hem aardig  of interessant genoeg om nog eens af te spreken? Het draait soms om de eerste indruk, het geduld van de hulpverlener die geen hulp maar contact komt aanbieden: mens zijn door medemenselijkheid.

De agenda van de meeste hulpverleners heeft een andere tijdsduur wat contact maken betreft, maar bovenal wil de hulpverlener weten welk probleem er opgelost moet worden. Voor de bemoeizorg is dat niet de eerste zorg. Het gaat om het tonen van betrouwbaarheid. De hulpverlener accepteert dat het op de proef stellen erbij hoort.

Claudie komt na het eerste gesprek regelmatig binnenvallen. Zonder afspraak. Meestal ben ik er, soms word ik opgepiept en maak ik telefonisch contact. In de eerste gesprekken praten we over koetjes en kalfjes en krijg ik een beeld van haar leven. Er is geen direct gevaar, anders ben ik genoodzaakt iets te doen. Ik kan afwachten en in het vierde gesprek vraagt ze waarom ik haar geen medicatie aanbied omdat ze zich ‘niet lekker voelt’. Ze doelt hierbij op haar psychotische ervaringen, die voor haar niet als zodanig te bespreken zijn. Ze heeft zelf nauwelijks doordat ze in de war is. Ze ziet vanuit alle hoeken bedreigingen op haar afkomen en er is een stem die zegt wat ze moet doen. Soms heeft ze er last van, soms heeft ze er baat bij, maar nu wil ze rust.

Helpen zonder diagnose

Een diagnose is niet aan de orde. Die heeft alleen waarde als iemand er betekenis aan kan ontlenen. Niemand is zijn diagnose en voor iedereen heeft de diagnose weer een andere betekenis. Harry Kunneman, filosoof van de School voor Humanistiek, maakt hierbij onderscheid tussen waarheid van de diagnose en de juistheid ervan2. De waarheid zijn de symptomen zoals ze omschreven staan en de juistheid gaat over de betekenis ervan voor iemand zelf. Jim van Os heeft het liever over persoonlijke diagnostiek en dan ook nog het liefst in de taal van iemand zelf3.

Claudie heeft geen last van mij als hulpverlener met zijn diagnoses. Gelukkig hebben de korte gesprekjes en het contact ertoe geleid dat ze iets wil. Ze  wil medicatie om rust in haar hoofd te krijgen. Na enkele weken is ze duidelijk minder in de war en ontstaat er ruimte voor een ander contact. Claudie laat nu zien  hoe ze worstelt met haar werk op straat en met haar verslaving. Het blijkt dat ze geen uitkering heeft en er gevaarlijke seks met mannen op na houdt. In overleg met een medewerkster van de Sociale Dienst wordt een afspraak gepland. Ik zit een week later met Claudie bij de gemeente om een aanvraag in te dienen. Na afloop zit ik met haar op een bankje en begint ze te vertellen over haar verleden. Hoe ze door haar broers en vader is misbruikt en hoe ze ‘al die viezeriken op straat te grazen zal nemen’. Het is duidelijk hoe ze heeft geleerd om te overleven. Ik begin nu beter te begrijpen waarom ze zo fel reageert. Het is haar overlevingsmechanisme als ze zich op elke wijze dan ook bedreigd voelt. Ze zit vol boosheid en frustratie en ze heeft vermoedelijk de nodige moeite om iemand te vertrouwen. Hoe graag ze dat ook zou willen. En dan ben ik ook nog een man.

“En Claudie, helpt het om dan zo te leven”? Even kijkt ze me indringend aan en dan zie ik hoe ze vecht tegen de tranen. Ze loopt weg en het duurt ruim twee weken voordat ze onverwachts weer langs komt. Ik heb enkele keren op het punt gestaan om haar op te gaan zoeken en ben opgelucht om haar weer te zien. “Ik heb besloten dat jij me gaat verwijzen naar een vrouw die me gaat helpen. Jij bent geen haar beter dan al die mannen.” Ik meld haar dat ze binnenkort een uitkering krijgt van de Sociale Dienst en dat ik haar zal verwijzen naar een collega die haar gaat helpen bij haar problemen uit haar verleden. Twee weken later staat ze woedend voor me. Of ik die collega dan wel wil uitleggen dat ze niet met vragenlijsten moet werken. Ik krijg nog één kans om er iets van te bakken en anders gaat ze de straat weer op. Ze is het vechten nog lang niet verleerd. Ik leg mijn collega uit wat ik weet en deze slaagt erin om haar de volgende maanden te helpen.

Conclusie

Iedere betrokkene die met bemoeizorg in contact komt, staat op zichzelf. Er is geen vaste methode om het aan te pakken en dat moet ook niet. Er zijn wel elementen waar de bemoeizorger zich van kan bedienen: contact maken vanuit presentie, betekenis gaan zien in de verhalen die mensen vertellen en het tonen van medemenselijkheid. Verbinding maken met de betrokkene is nodig. Zeker als iemand psychotisch is, komt de motivatie voor hulp in eerste instantie vanuit de hulpverlener.

Bemoeizorg kent geen vooropgesteld of vanuit een diagnose vastgesteld doel. Wel een richting waarbij het contact bepaalt welke weg er bewandeld wordt. Misschien gaat het wel om de fundamentele bevestiging dat iemand de moeite waard is en dat gevoel door een ziekteproces of gehavende ontwikkeling is kwijtgeraakt.

______________________________________________________________________________________________________

Referenties

1. Simone van de Lindt &Harry Gras, Perspectief op beter. Hulp aan verwarde en kwetsbare mensen. Van Gorcum, 2019.

2.  Harry Kunneman  Van theemutscultuur naar walkman-ego  Boom 1998

3.   Jim van Os De GGZ voorbij. Persoonlijke diagnostiek in een nieuwe GGZ  Diagnosis 2014

 

 

Reacties