Voortzetten van een ingeslagen weg is het eenvoudigst. De bestaande richtlijnen geven te weinig sturing, vinden de huisartsen. Dat blijkt uit een onderzoek naar het voorschrijfgedrag van antihypertensiva onder Nederlandse huisartsen dat is gepubliceerd in BMJ Open.
Het onderzoek was de eerste kwalitatieve studie onder Nederlandse huisartsen naar het voorschrijven van bloeddrukverlagende middelen bij ouderen. Onderzoekers van het Radboudumc, AMC en LUMC voerden semigestructureerde interviews met vijftien huisartsen. De interviews haakten zoveel mogelijk aan bij concrete situaties uit de praktijk.
Bijwerkingen
Huisartsen zijn terughoudend met het starten van bloeddrukverlagende medicijnen bij kwetsbare ouderen of ouderen met een geringe levensverwachting. Als een oudere patiënt eenmaal medicijnen krijgt, zal de huisarts deze niet snel beëindigen. Vanwege tijdgebrek, uit gewoonte, of vanwege de angst om de balans bij de patiënt te verstoren. Ook heerst de gedachte dat doorgaan minder onderbouwing vergt dan stoppen. Stoppen is alleen aan de orde bij terminaal zieke patiënten, patiënten die bijwerkingen hebben of zelf willen stoppen. Huisartsen die al eerder hadden ervaren dat na het stoppen van de medicijnen de kwaliteit van leven verbeterde, waren meer geneigd om een behandeling af te breken dan huisartsen die juist bang waren voor negatieve gevolgen van stoppen.
Nieuwe inzichten
De interviews brachten de huisartsen vaak tot nieuwe inzichten. Overall vinden ze dat de bestaande richtlijn voor de behandeling van hoge bloeddruk bij ouderen hen te weinig ondersteunt. Zij zouden liever een duidelijk stroomdiagram zien, met duidelijke start- en stopcriteria en meer aandacht voor subjectieve factoren zoals kwetsbaarheid.