Meten van uitkomsten en kosten

Overleg met patiënt vermindert gebruik antibiotica

© greenapple78 / stock.adobe.com

Huisartsen die samen met patiënten beslissen, schrijven volwassenen tot 40 jaar minder vaak antibiotica voor. Dat blijkt uit onderzoek van Nivel.

Het onderzoek van Nivel is onder meer gepubliceerd in Huisarts en Wetenschap.

Volgens Thamar van Esch van Nivel geeft het onderzoek aan dat het zinvol lijkt om gezamenlijke besluitvorming te stimuleren om ongepast antibioticagebruik te verminderen. Dit kan door de richtlijn aan te passen, door huisartsen te trainen in samen beslissen of de consultduur te verlengen.

Van Esch vond bij oudere patiënten geen verband tussen de mate van samen beslissen en het voorschrijven van antibiotica. Zij denkt dat dit onder meer samenhangt met het feit dat huisartsen 65-plussers minder vaak laten meebeslissen. Deels is dit omdat deze patiënten vaker verwachten dat ze antibiotica krijgen voorgeschreven.

Praktijken variëren

Het gevonden effect is wel significant, maar niet groot. In praktijken die veel met gezamenlijke besluitvorming werken, kregen patiënten tussen 18 en 39 jaar bijna 10 procent minder vaak een antibioticakuur voorgeschreven dan in praktijken waar de arts niet of nauwelijks de patiënt betrekt in zijn beslissing.

Van Esch deed haar onderzoek bij praktijken met een wisselend niveau van samen beslissen. Vooraf gaf ze geen instructies over gezamenlijke besluitvoering. Als het onderzoek wel gepaard zou gaan met een interventie die samen beslissen stimuleert, dan is haar verwachting dat huisartsen nog minder antibiotica voorschrijven.

Nivel Consumentenpanel

Aan het onderzoek deden 2700 patiënten mee. Zij nemen deel aan het Nivel Consumentenpanel Gezondheidszorg. Ook staan ze ingeschreven bij één van de vijftien huisartsenpraktijken die deelnemen aan Nivel Zorgregistraties. De patiënten beoordeelden met een vragenlijst met negen stellingen (SDM-Q9) in hoeverre de huisartsenpraktijk werkt met gezamenlijke besluitvorming.

Daarnaast zochten de onderzoekers in de elektronische patiëntendossiers hoe vaak de huisarts bij de deelnemende patiënten een bepaalde infectie vaststelde. Het ging daarbij om neusbijholteontsteking, urineweginfectie of acute hoest vaststelde. Ook stelden de onderzoekers vast in hoeverre de arts in deze gevallen antibiotica voorschreef als de NHG-standaarden dit adviseerden.

Antibiotica overwegen

In vier van de tien gevallen dat patiënten de huisarts bezochten met een van deze drie infecties, adviseerde de NHG-Standaard de huisarts om na te denken over een antibioticakuur. Zo’n situatie waarin de richtlijn niet een pasklaar antwoord geeft, geeft juist ruimte om het voorstel uit de richtlijn  met de patiënt te bespreken en samen een beslissing te nemen. Uiteindelijk schreef de huisarts in 45 procent van deze situaties een antibioticakuur voor.

Van Esch koppelde het niveau van gezamenlijke besluitvorming aan de frequentie dat de huisarts een antibioticakuur voorschrijft in de gevallen dat de richtlijn geen zwart-wit advies geeft. Daaruit las zij af dat praktijken waar huisartsen en patiënten meer samen beslissen, minder vaak antibiotica voorschrijven. In de gevallen dat de richtlijn onomstotelijk aangeeft dat er wel of geen antibiotica nodig, speelt samen beslissen geen rol.

Per consult

In het onderzoek beoordeelden de patiënten het niveau van samen beslissen per praktijk. Dat kan volgens de onderzoekers, omdat verschillende huisartsen in één praktijk vaak dezelfde aanpak hanteren. Om het verband tussen samen beslissen en het aantal antibioticakuren nog preciezer te bepalen, zouden patiënten over het consult waarin een antibioticakuur aan de orde komt, moeten beoordelen in hoeverre er sprake is van gezamenlijke besluitvorming. Voor Van Esch is dat dan ook een optie voor vervolgonderzoek.

 

Reacties