Van koudwatervrees in de zorgpraktijk naar toezicht op digitale zorg na corona

Kwaliteit in Zorg vroeg de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd wat zij zag aan digitale ontwikkelingen tijdens de covid-pandemie. Wat is de waarde van die ontwikkelingen op langere termijn? Wat zijn de risico’s en hoe gaat de inspectie daarmee om in het toezicht?

Door Johan Krijgsman, coördinerend specialistisch inspecteur e-health, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Dit artikel maakt deel uit van de KiZ Special over de waarde van zorg op afstand na de coronacrisis. Naar de overzichtspagina.

Er is een kort filmpje uit 2018 dat ik nog steeds onbetaalbaar vind. Een interviewer vraagt mensen in een typisch Nederlandse winkelstraat of ze wel eens mailen met hun dokter. “Nee”, zegt een mevrouw, “Want ik heb niet zo’n ding; zo’n apparaatje niet; zo’n e-mail-ding moet je dan toch hebben? Nou, dat heb ik niet.” “Jaaa, dat is toch vandaag de dag modern? Moet je mee meegaan!”, zegt een ander.

Het rijtje knap gemonteerde interviews illustreerde op droogkomische toon dat we nog wat moesten wennen aan digitale zorg. En toen kwam 2020. De covid-lockdowns bleken een digitale shocktherapie. Opeens gingen we massaal skypen, zoomen en teamen. Het Nivel onderzocht dat maar liefst 64 procent van de huisartsenpraktijken die e-health toepassingen inzetten, in het begin van de covid-19 pandemie voor het eerst ging beeldbellen met patiënten. Maar tegelijk had nog geen 5 procent van de chronisch zieken en gehandicapten contact met de huisarts via videobellen. Veruit de meesten pakten toch maar de telefoon. Veel commentatoren riepen de digitale revolutie in de zorg uit, maar die lijkt nog lang niet voltooid.

Wat zag de inspectie? Koudwatervrees verdwijnt 

Vanaf de start van de pandemie stond de inspectie steeds in contact met zorgaanbieders. Dat moest anders dan normaal. Inspecteurs gingen zeker in het begin minder vaak langs, pakten vaker de telefoon en hadden natuurlijk ook online afspraken. Daarbij zagen we dat digitale toepassingen voor zorgaanbieders een uitkomst bleken in een situatie dat gewoon contact met patiënten, cliënten en mantelzorgers veel lastiger was dan normaal.

In instellingen voor verpleging en verzorging of gehandicaptenzorg bijvoorbeeld. Daar was beeldcontact tussen cliënten en hun familie via een tablet een van de manieren om deels te compenseren voor weggevallen bezoekmogelijkheden. Veel zorgaanbieders regelden razendsnel beeldbel-mogelijkheden voor hun medewerkers en cliënten, onder andere in de GGZ. Er kwamen tijdelijke oplossingen om sneller en gemakkelijk elektronische gegevens uit te wisselen, bijvoorbeeld met de eerste hulp en met de huisartsenpost. Een aantal ziekenhuizen ontlastte de druk op de huisartsen met een mobiele app. Daarmee konden ze op afstand hulp bieden aan mensen die zich zorgen maakten over mogelijke coronaklachten. Al met al verdween zo veel koudwatervrees voor digitale zorg.

Van 100 procent face-to-face naar blended care

De plotselinge nieuwe situatie van de covid-pandemie vroeg om snelle oplossingen. Of dit alles beklijft als de oorspronkelijke noodzaak wegvalt, hangt af van het nut dat overblijft. Wat is zo goed bevallen dat we niet meer terug willen? Wat deden we alleen omdat het niet anders kon? En is dat voor iedereen gelijk? Dat vraagt straks om een goede evaluatie van versneld ingevoerde initiatieven. Daarbij is het vaak een kwestie van zoeken naar een goede balans. Een GGZ-instelling vertelde ons dat de meeste van hun behandelaren en cliënten de voorkeur geven aan ‘blended’ behandelen: een mix van online en face-to-face. Van een andere zorginstelling hoorden we dat personeel dat alleen online trainingen had gedaan iets meer fouten leek te maken met medicatie dan personeel dat klassikaal was getraind.

Maar als nu straks de voorzichtige digitale revolutie hapert en de zorg toch weer ‘terugvalt’? Hebben we dan een kans gemist? Daar heeft de inspectie niet per se een oordeel over. De inspectie kijkt vooral naar kwaliteit van zorg, of de zorg nu face to face of digitaal is. Volgens de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg is ‘goede zorg’ veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht, wordt ze tijdig verleend en is ze afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Dat is ook een mooi rijtje om af te lopen als het om digitale zorg gaat. Is een e-consult echt altijd en voor iedereen het beste? Of hangt dat af van de situatie en de persoon? Is online medicatie voorschrijven in alle gevallen veilig en verstandig? Wij willen dat patiënten en zorgverleners de voordelen van e-health kunnen ervaren zonder onevenredige risico’s te lopen.

Risicobeheersing

Risico’s van digitale zorg liggen in het algemeen bij techniek, mens of organisatie. Een videobel-applicatie blijkt onveilig en ineens zit er een onbekende in het gesprek (techniek); iemand klikt in de haast een belangrijke waarschuwing weg en schrijft een verkeerde dosering voor (mens); een zorginstelling spreekt niet goed af wie er in het weekend op de resultaten van de thuismonitoring let (organisatie). Goede digitale zorg heeft veelal te maken met goede randvoorwaarden. Duidelijke afspraken in de organisatie, goed getrainde medewerkers en veilige en goed geteste producten.

De inspectie let daarop in het toezicht op e-health. Bijvoorbeeld door het toezicht op fabrikanten van software die als medisch hulpmiddel wordt ingezet. Maar ook door op bezoek te gaan bij zorgaanbieders en te onderzoeken of randvoorwaarden voor digitale zorg zijn ingevuld. Dat deden we al voor de covid-pandemie en dat doen we nog steeds. Maar de ontwikkelingen gaven een extra aanleiding om ook het e-health-toezicht nog eens tegen het licht te houden en verder te ontwikkelen.  

Dynamisch toezicht

Ook voor de inspectie is deze tijd een oefening in wendbaarheid en flexibiliteit. In het begin van de eerste golf was er een tekort aan persoonlijke beschermingsmiddelen en beademingsapparatuur. Later moesten er teststraten bezocht worden en vroeg het vaccineren om aandacht. Daarbij zijn we als inspecteurs meer multidisciplinair gaan samenwerken, hebben we nieuwe manieren van inspecteren ontwikkeld en zijn we sneller op nieuwe ontwikkelingen afgegaan.

Ook in het e-health-toezicht plukken we daar de vruchten van. Zo hebben we in 2020 onderzoek gedaan onder zowel burgers als professionals/deskundigen in het zorgveld om te kijken hoe zij de voordelen en risico’s van e-health ervaren. We zijn nog meer gaan samenwerken tussen inspecteurs met verschillende achtergronden en deskundigheden. Zo loopt er een inspectieprogramma over e-health in de eerste lijn. Daarbij zijn inspecteurs van verschillende afdelingen betrokken én werken we samen met de Autoriteit Persoonsgegevens. We kijken ook meer naar e-health in netwerken, bijvoorbeeld als het gaat om de samenwerking tussen huisartsen en wijkverpleging. We proberen nog sneller in te spelen op ontwikkelingen. Zo hielden we toezicht bij nieuwe initiatieven in het veld om herstellende covid-patiënten thuis te monitoren.  

Mijn dokter is altijd dichtbij

Het is duidelijk dat zelfs als niet alle digitale ontwikkelingen die door covid-19 zijn versneld beklijven, e-health langzaam maar zeker steeds meer een plaats krijgt in de zorg. En daarmee dus ook in het toezicht. Als er in 2023 weer iemand in straatinterviews vraagt of mensen wel eens mailen met hun dokter, dan zou het mooi zijn als iemand zegt: “Tuurlijk, soms mail ik, soms zien we elkaar online of ik ga langs. Het is de combinatie die me een veilig gevoel geeft. Mijn dokter is altijd dichtbij als het nodig is.”

 

Reacties