Zwolse pilot vergroot begrip tussen gynaecologen en verloskundigen

In Zwolle werken eerstelijns verloskundigen en gynaecologen in een pilot samen om de zorg voor zwangeren verder te verbeteren. De bekostiging blijkt een belemmering, maar er is ook winst. ‘Inzage in elkaars situatie vergroot het wederzijds begrip.’

Tijdens het Linnean-werkbezoek aan Isala van 19  januari schuiven eerstelijns verloskundige Myrna Knol en gynaecoloog Bas Nij Bijvank aan om hun ervaringen te delen. Financiële belangen hebben een meer intensieve samenwerking in de geboortezorg lang in de weg gestaan.

Waardegedreven zorg als oplossing

Knol: “We dachten dat waardegedreven zorg hier een oplossing voor zou kunnen zijn. We zijn dus echt vanuit de inhoud gaan denken. Daardoor hebben we elkaar veel beter leren kennen en begrijpen.”

De deelnemers aan de pilot hebben zich georganiseerd rond één ziektebeeld in de zwangerschap. Dat was in dit geval de Groep B streptokokken. Deze bacterie is ongevaarlijk voor zwangeren, maar kan kinderen ziek maken rond de bevalling. Om dat te voorkomen is antibiotica nodig.

Nij Bijvank: “Zwangeren moesten in de oude situatie naar de tweede lijn om de antibiotica te krijgen. Sinds we die in de eerstelijn verstrekken, kunnen ze daar gewoon blijven. We hebben hiervoor gekozen omdat we als zorgverleners een nieuw protocol wilden introduceren. Onderdeel was substitutie van zorg van de tweede naar de eerste lijn. Natuurlijk met behoud van kwaliteit en tegen lagere kosten. ”

Zwangere centraal

Zorgverleners uit de eerste, tweede en derde lijn zijn bij elkaar gekomen om de zorg op een andere manier in te richten. Daarbij stond steeds de zwangere centraal. Knol: “Die kwam op de eerste plaats, wij als zorgverleners kwamen op de tweede plaats en de organisaties op de derde plaats.”

Grenzen bekostigingssysteem

Daarbij liepen ze aan tegen de grenzen van het huidige bekostigingssysteem. Nij Bijvank:  “Zolang je betaalt voor behandelingen en verrichtingen creëer je belangen bij partijen om die behandelingen en verrichtingen bij zich te houden of zelfs uit te breiden. Dat gaat dan ten koste van andere partijen in de ketenzorg of zelfs ten koste van de patiënt.”

Hoe voer je het gesprek over de verdeling van het geld? Knol: “Dan heb je voor-aannames, je gaat meer doen, dus dan mag je ook meer geld. Ik ben eerstelijns verloskundige, ik werk veel met, maar niet voor het Isala. Het geld moet dus verschuiven van organisatie naar organisatie. Hoe doe je dat?”

Er is gezocht naar een oplossing via transitiekosten. Knol: “Het is een klein project waar 120 cliënten aan deelgenomen hebben. Dat scheelt. Maar we hebben meer en grotere dromen. We zijn nu bezig met twee nieuwe projecten, dat zijn grotere aantallen. We zijn aan het zoeken hoe het anders kan.”

Wederzijds begrip

De passende rechtsvorm en de bekostiging, daar wordt nog aan gewerkt. De pilot loopt nu een jaar en heeft een andere manier van kijken naar zorgverlening gegeven. Knol: “De basisdiscussie tussen verloskundigen en gynaecologen is vaak ‘vind jij wel belangrijk genoeg wat ik belangrijk vind?’.”

“Wat dit project heeft gerealiseerd en wat komende projecten gaan realiseren, is dat je met elkaar gaat praten. Je weet van elkaar wat je belangrijk vindt. Je hebt elkaar gezien en gesproken. Ik heb niet alleen de gynaecoloog, maar ook de neonatoloog veel beter leren kennen. Dat waren twee volledig gescheiden werelden die door dit project bij elkaar kwamen. Je zag meteen wederzijds begrip ontstaan. “

 

 

 

 

Reacties