Frits Franssen: ‘Behandeling COPD wordt steeds persoonlijker’

De afgelopen twee decennia zijn er grote sprongen gemaakt in de behandeling van COPD-patiënten. “COPD is nog zeker niet zo gepersonaliseerd als longkankerzorg, maar het gaat al een stuk die kant op”, aldus Frits Franssen, longarts en bestuurder van Ciro, kennis- en behandelcentrum voor longaandoeningen in Horn, en onlangs benoemd tot hoogleraar aan Maastricht University. Hij gaat onderzoek doen naar gepersonaliseerd management van COPD.

De afgelopen jaren is steeds meer het inzicht ontstaan dat de problemen van COPD-patiënten niet over een kam te scheren zijn. Een gepersonaliseerde aanpak is nodig om te kijken wat de beperkingen van iemand precies zijn en welke behandelingen zinvol zijn, zegt de kersverse hoogleraar.

Pufje

“Voorheen was het zo dat wanneer je COPD had, je een pufje, een luchtwegmedicijn, kreeg en dat was het. Tegenwoordig kijken we veel meer naar wat voor pufje je moet krijgen en wat voor andere behandelingen nog meer gezondheid kunnen toevoegen. Dan moet je bijvoorbeeld denken aan beademing voor mensen met ernstige COPD of gerichte inzet van medicatie aan de hand van biomarkers in het bloed. Dat zijn  dingen die we twee decennia geleden echt niet deden.”

Doelgerichte behandelingen

Diezelfde houding is ook terug te zien in hoe men omgaat met COPD-patiënten die een longaanval hebben. Als die nu in het ziekenhuis worden opgenomen, krijgen ze allemaal prednison en meestal een antibioticum. “Maar wat we steeds meer gaan zien, is dat er gekeken wordt naar wat voor longaanval het is. Gaat het bijvoorbeeld om een bacterie, om een virus, of speelt infectie geen rol? Wanneer iemand een virale longaanval heeft, hoeft er dus geen antibioticum te worden toegediend. En iemand die geen eosinofiele cellen (een bepaald type witte bloedcellen, red.) in zijn bloed heeft, heeft geen prednison nodig. Zo ga je veel doelgerichter te werk en bespaar je op behandelingen waar de patiënt toch geen baat bij heeft.” Franssen verwacht dat dit soort doelgerichte behandelingen zich de komende vijf jaar verder zullen ontwikkelen.

Meer diagnostiek

Om die gepersonaliseerde aanpak mogelijk te maken, is meer diagnostiek gewenst. Zo wordt er meer gebruikgemaakt van bloedonderzoek, zijn inspanningstesten nodig en worden COPD-patiënten vaker verwezen naar bijvoorbeeld de cardioloog. “Je moet een patiënt heel breed in kaart brengen zodat je heel doelgericht kan gaan behandelen. Patiënten vragen daar ook om. Zij zijn steeds beter op de hoogte van nieuwe behandelingen, mogelijke bijwerkingen en vragen zich af of ze bepaalde medicijnen wel moeten nemen.”

COPD is zeker nog niet zo gepersonaliseerd als bijvoorbeeld longkankerzorg, zegt Franssen. “Daarbij kun je aan de hand van kenmerken van de tumor voorspellen of bepaalde immunotherapie of chemotherapie zinvol is. Zover zijn we bij COPD nog niet, maar we gaan wel een stuk die kant op.”

Kwaliteit van leven

Door adequate behandeling van COPD verbetert niet alleen de longfunctie, maar ook de kwaliteit van leven en het inspanningsvermogen van de patiënt. Daarbij daalt het risico op longaanvallen. Ook zijn de leeftijdsspecifieke overlevingscijfers gestegen vergeleken met twintig jaar geleden. “Voor patiënten van eenzelfde leeftijd gaat het steeds beter, waarschijnlijk door de uitbreiding van en betere inzet van beschikbare behandelingen. In het algemeen zie je wel dat de sterfte door COPD toeneemt, maar dat komt omdat de populatie groeit en veroudert.”

Risicoprofielen

In zijn nieuwe leerstoel gaat Franssen kijken naar welke factoren de ziektelast van COPD precies bepalen. “Dan moet je denken aan bijvoorbeeld andere aandoeningen die de patiënt heeft, maar ook aan iemands psychologisch functioneren. Als ik niet weet dat mijn patiënt ook hartfalen heeft, kan ik hem daar ook niet voor behandelen.” Zo’n 20 procent van de COPD-patiënten heeft hartfalen, maar de meerderheid weet dat niet omdat het nooit is onderzocht. “Omdat we niet elke patiënt aan alle denkbare diagnostiek kunnen onderwerpen, richt ik mij ook op gepersonaliseerde diagnostiek aan de hand van bepaalde risicoprofielen van patiënten.”

Reacties