Jan Hazelzet: ‘Nog genoeg VBHC-uitdagingen voor Nederland’

Op het ICHOM-congres van 2 en 3 mei hoorden bezoekers uit meer dan veertig landen over Nederlandse initiatieven op het gebied van waardegedreven zorg. Nederland bleek een logische plek om het eerste ICHOM-congres op het vasteland van Europa te houden.

Volgens Pieter de Bey, directeur van Santeon, loopt Nederland op kop als het gaat om VBHC. Jan Hazelzet, professor Kwaliteit en Uitkomsten van Zorg aan het Erasmus MC, is het met hem eens, maar ziet ook dat er de komende jaren nog genoeg uitdagingen wachten. Hij noemt daarbij de keuze van specifieke of generieke PROMs, de IT, het gesprek in de spreekkamer  en de belemmeringen op het gebied van geïntegreerde zorg.

Generiek of specifiek

ICHOM beschikt op dit moment over tientallen standaardsets voor  specifieke aandoeningen. Hazelzet: “ICHOM is geen holy grail, maar je moet wel ergens starten.  Als er een ICHOM-set is voor een bepaalde aandoening,  ga dan geen nieuwe maken, maar gebruik de set die er is.”

Voor de aandoeningen waarvoor een ICHOM-set bestaat,  is een relatief snelle start met VBHC te maken. Daarnaast is ICHOM bezig met een overall set waarmee  bijvoorbeeld pijn, fysiek functioneren en  depressie te meten zijn.

Hazelzet: “Het voordeel van zo’n overall set is in de eerste plaats dat je mensen die met meerdere aandoeningen kampen voor deze onderdelen maar een keer een vragenlijst hoeft te laten invullen over deze onderwerpen.   Als je PROMs wilt inzetten bij aandoeningen waarvoor nog geen ICHOM-set is, kun je bovendien een start maken met de overall set.”

IT-belemmeringen

ICHOM-sets gebruiken voor het meten van patiënt uitkomsten klinkt eenvoudig, maar is het in de praktijk niet. Hazelzet: “Wie eenmaal een keuze voor een dataset gemaakt heeft, moet vervolgens zorgen dat die in de IT-systemen van ziekenhuizen te gebruiken zijn.  Onze huidige EPD’s lopen daar ver op achter en de leveranciers lijken  weinig plannen te hebben om dat te gaan veranderen. Dat moet top down afgesproken worden.”

Hij ziet hier een rol voor  VWS en is blij dat er actie wordt ondernomen. “We hebben een standaard als SNOMED in Nederland. Die is internationaal en die moet je gewoon gebruiken. Het is nu echt zaak voor het ministerie om te zeggen  ‘we gaan het doen’. Daartoe is de minister bereid en dat is heel mooi. We gaan de goede kant op.”

Waar blijven de data die gemeten zijn? Ook voor het antwoord op deze vraag komt de IT weer om de hoek kijken. “De basisgegevens kunnen wellicht in een centrale database. Wil je meer, dan moet je ze gaan ophalen bij de ziekenhuizen.  We hebben in Nederland  al zo’n centrale organisatie, DHD, Dutch Hospital Data. Die kan alleen werken als de data gestandaardiseerd zijn. Ik ben er net als de  NFU en de NVZ, van overtuigd dat we alleen die data moeten vastleggen die we belangrijk genoeg vinden om in een EPD op te nemen.  Meer data kan wel, maar die zijn niet relevant voor VBHC maar voor onderzoek. VBHC moet zich beperken tot zorg.”

De spreekkamer

Meten voor het meten heeft geen zin. De patiënt die de moeite doet om vragenlijsten in te vullen, wil hier ook graag in de spreekkamer het resultaat van zien. Steeds meer patiënten willen zelf de regie houden en samen met de professional beslissen over hun behandeling. Ook hier zijn volgens Hazelzet nog stappen te maken: “De meeste dokters en verpleegkundigen zijn helemaal niet getraind om zo’n gesprek te voeren. Je kunt het ook aan de verpleegkundig specialist overlaten.  Ik ben ervan overtuigd dat het de VBHC in Nederland vooruit zal helpen als we het voeren van gesprekken op basis van PROMs en het samen beslissen incorporeren in opleidingen. De plannen hiervoor liggen klaar.”

Geïntegreerde zorg

De grote uitdaging voor de komende jaren wordt volgens Hazelzet het integreren van de zorg. “We hebben het al moeilijk genoeg bij het afstemmen van  processen in ziekenhuizen. Maar we moeten een stap verder. Ik ben er van overtuigd dat geïntegreerde zorg de uitdaging van de toekomst is.   Daar moeten we allemaal samen aan gaan werken, maar daar zijn we nog lang niet klaar voor.”

“Wij zijn in Nederland en ook in Rotterdam hard bezig om de uitkomstenset  Zwangerschap en geboorte te implementeren.  Dan heb je te  maken met een vrijgevestigde verloskundige, eventueel gynaecoloog en weer terug, dan misschien een ziekenhuis, dan weer de kraam en dan misschien weer terug naar de verloskundige. Dan zit je met verschillende issues die je moet aanpakken. Hoe regel je de betaling? En hoe kijk je in elkaars data?”

Werkplezier

Samenwerking is niet  voor iedereen vanzelfsprekendheid. Hazelzet: “We moeten het echt als normaal gaan zien dat wat er voor en na ons in de keten gebeurt van wezenlijk belang is.  Dat moet eerst beleidsmatig worden geregeld. En dan moet het nog doordringen naar de mensen die het moeten gaan uitvoeren op de werkvloer. Daar worden de patiënten beter van, maar die niet alleen.  Ik ben ervan overtuigd dat het  alleen maar het werkplezier vergroot.”

Aan de slag

Het NFU-consortium Kwaliteit van Zorg heeft zich volgens Hazelzet opgesteld als kennispartner voor het landelijk programma Uitkomstgerichte Zorg om de oplossingen te creëren die nodig zijn voor de onderwerpen die hier genoemd zijn.

Hazelzet: “De oplossingen voor data en voor het gebruik ervan zullen met collega’s worden beproefd en verspreid. We zullen met elkaar ontdekken welke invulling van uitkomstgerichte zorg de patiënt het meest oplevert.  Versterking van praktische regionale samenwerking is een belangrijke pijler in het genoemde plan. De NFU werkt hiervoor samen met NVZ, De Patiëntenfederatie, FMS en ZN en met het Ministerie van VWS.”


Jan Hazelzet is spreker op het congres ‘Waardegedreven zorg in de praktijk’ Eye-openers, belemmeringen en succesverhalen bij VBHC’ van 25 juni. 

van 25 juni.

Reacties